Er bestaat te weinig bescherming in het huwelijksvermogensrecht na een scheiding tijdens de vereffening en verdeling in geval van renovaties, gefinancierd door de voormalige echtgeno(o)t(en) aan de gezinswoning aangekocht op naam van de patrimoniumvennootschap van de schoonfamilie.

Stel, U vindt de partner van uw leven en trouwt. Samen droomt u van een mooie toekomst in een parel van een huis. Met dank aanvaardt u de financiële bijdrage van uw schoonfamilie, die het te renoveren droomhuis met plezier aankoopt op naam van haar familievennootschap, waarvan ook uw partner bestuurder is. U zal (al dan niet samen met uw partner) zelf zorgen voor de verdere afwerking van de woning, en de kosten hiervan dragen. Met enthousiasme gaat u aan de slag in de woning en financiert u (al dan niet samen met uw partner) de werken die nog moeten worden uitgevoerd. Het eindresultaat is een droom van een woning.

Tot zover lijkt er zich geen enkel probleem te stellen.

Naderhand loopt het huwelijk spaak. De boedel moet worden verdeeld, maar wat gebeurt er met de opgewaardeerde gezinswoning bij de vereffening-verdeling? De gezinswoning, waaraan u zelf heeft gewerkt en prestaties heeft laten verrichten die u (mee) heeft betaald, verdwijnt volledig opgewaardeerd in de patrimoniumvennootschap van de voormalige schoonfamilie.

Het huwelijksvermogensrecht biedt in zulk geval geen enkele bescherming, zodat noodgedwongen enkel kan teruggevallen worden op de gemene rechtsgronden zoals zaakwaarneming, kostenleer, e.d. om een deel van deze kosten te recupereren, hetgeen niet vanzelfsprekend is.

In dergelijk geval is dus geen sprake van een eerlijke verdeling van de boedel, nu de ex-partner recht heeft op de helft van de boedel, maar tegelijkertijd een opgewaarde woning krijgt via de familievennootschap waarvan zij deel uitmaakt.

Deze situatie komt in de rechtspraktijk steeds vaker voor. Het is daarom aangewezen deze situaties voorafgaand te contractueel ondervangen.