Categorie: Vechtprocedure Page 1 of 2

Krijg ik automatisch een week-weekregeling als ik dit vraag?

Wanneer ouders uit elkaar gaan moet steeds een verblijfsregeling voor de minderjarige kinderen worden geregeld. In de praktijk gaan veel ouders ervan uit dat wanneer zij in conflict een week-weekregeling zouden vragen aan de rechtbank, zij dit sowieso zullen bekomen, vertrekkende van het idee dat dergelijke regeling steeds het beste is voor het kind. De standaardmotivering voor een ouder om dit te vragen is dan ook : “omdat ik evenveel rechten heb” (= als de andere ouder).

Is een week-om-week regeling een verworven recht voor elke ouder dat automatisch wordt toegekend en is dit steeds in het belang van het kind?

Sinds 2006 werd in het Burgerlijk Wetboek ingevoerd dat wanneer één van de ouders een gelijkmatige verdeelde verblijfsregeling vraagt, dit bij voorkeur dient te worden onderzocht. Dit betekent echter niet dat wanneer één ouders het vraagt aan de rechter dat het automatisch zal worden toegekend. De wet bepaalt immers dat de rechtbank dient te oordelen over deze vraag, rekening houdende met alle concrete omstandigheden van de zaak en het belang van zowel de kinderen als de ouders.

Diverse studies in het verleden hebben reeds aangetoond dat een gelijk verdeelde verblijfsregeling niet passend is voor jonge kinderen. Thans wordt zelfs meer en meer een gelijke verdeelde regeling ook voor oudere kinderen in vraag gesteld.

De rechtbank zal dan ook bij de beoordeling van deze vraag met heel wat factoren rekening dienen te houden zoals onder meer:

  • De leeftijd van het kind: voor kinderen onder de 3 jaar wordt dit doorgaans niet aangewezen geacht. Sommige rechtbanken en rechters menen bovendien dat een gelijkmatig verdeeld verblijf pas aangewezen is vanaf het kind de leeftijd van 6 jaar heeft bereikt ;
  • De afstand tussen de woonplaatsen van de ouders en de school: het is niet in het belang van het kind om elke ochtend en avond naar en van school langer dan 30 minuten onderweg te zijn ;
  • De mening van het kind zelf: kinderen vanaf 12 jaar worden door de rechtbank automatisch uitgenodigd om te worden gehoord. Het kind is echter niet verplicht hierop in te gaan. Als hij dit wel doet, dan wordt er doorgaans een verslag van dit gesprek gemaakt, tenzij het kind aangeeft dat hij dit niet wenst. De rechter zal rekening houden met de mening van het kind, maar dit betekent niet dat dit automatisch zal moeten worden gevolgd. De rechter zal alle omstandigheden van de zaak bekijken, om zo ook de mening van het kind te kaderen ;
  • Communicatie tussen de ouders: een week-weekregeling is enkel maar mogelijk indien de ouders elkaar niet voortdurend in de haren vliegen. Immers wanneer ouders alleen maar ruzie maken terwijl zij regelmatig met elkaar dienen te communiceren, doordat bijvoorbeeld de school door beide ouders evenveel opgevolgd wordt (of toch dient te worden), dan kan dit nefast zijn voor het kind. Dit betekent dan ook weer niet dat ouders een week-om-week regeling zullen kunnen vermijden door steeds ruzie te maken. Opnieuw zal de rechter dit beoordelen door alle omstandigheden van de zaak te bekijken.

Een zeer veel voorkomende fout is ook dat ouders vaak denken dat wanneer een week-weekregeling wordt toegepast, er geen onderhoudsbijdrage voor dat kind zal moeten worden betaald. Ook dit is geen automatisme omdat het bepalen van een onderhoudsbijdrage afhankelijk is van de inkomsten en mogelijkheden van beide ouders en de kinderen de week dat ze verblijven bij de minder kapitaalkrachtige ouder, dezelfde levensstandaard moeten kunnen hanteren dan de week dat ze bij de kapitaalkrachtige ouder verblijven.

Ook al is er aldus een wettelijke voorkeur voor een gelijk verdeelde verblijfsregeling, steeds dient elke zaak separaat te worden bekeken om na te gaan of deze regeling wel in het belang van en het kind en de ouders is in dat specifieke geval, kortom maatwerk!

Indien u hieromtrent vragen zou hebben of advies wenst, neem dan zeker contact op met ons kantoor.

Buitengewone kosten kinderen in de wetgeving

Reeds jaren bepaalde het Burgerlijk Wetboek dat ouders dienen bij te dragen in ook de buitengewone kosten voor hun kinderen, naast het vaste onderhoud in natura en hun bijdrage in de dagelijkse en gewone kosten.

Zeer veel worden er procedures voor de rechtbank uitgevochten, al dan niet na een loonbeslag of dergelijke, omtrent de vraag wat nu eigenlijk buitengewone kosten zijn, wat hiertoe behoort en wat de criteria van verschuldigdheid hiervan zijn.

De wetgever wou tegemoet komen aan deze discussies en heeft daarom bij Koninklijk Besluit van 22 april 2019 vastgesteld welke kosten tot de buitengewone kosten behoren, welke kosten het voorwerp moeten zijn van een voorafgaand overleg en akkoord en hoe deze kosten moeten worden afgerekend.

Het betreft het Koninklijk Besluit tot vaststelling van de buitengewone kosten die voortvloeien uit art. 203 § 1 van het Burgerlijk Wetboek en de wijze van tenuitvoerlegging ervan. Dit KB kan u raadplegen via volgende link: http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/change_lg.pl?language=nl&la=N&cn=2019042208&table_name=wet

Er zijn 3 grote pijlers van buitengewone kosten:

  1. Medische en paramedische kosten zoals orthodontie, aankoop bril, maar ook de premie van de hospitalisatieverzekering ;
  2. Schoolkosten zoals schooluitstappen, schoolboeken, laptop, maar wel pas na verrekening van de studiebeurs of studietoelage die zou worden ontvangen ;
  3. Kosten verbonden aan de ontwikkeling van de persoonlijkheid en de ontplooiing van het kind zoals lidgeld en benodigdheden hobby’s.

Daarnaast kunnen de ouders steeds nog bijkomende kosten als buitengewone kosten opnemen waarin zij aldus beiden dienen bij te dragen. De lijst zoals opgenomen in het KB kan aldus nog worden aangevuld door de ouders in gezamenlijk overleg.

Omtrent de voormelde kosten dient steeds voorafgaand overleg te worden gepleegd tussen de ouders en dient er ook een akkoord over te bestaan, bij gebreke waaraan de ouder, waarmee geen overleg werd gepleegd en zijn akkoord niet gegeven heeft, niet gehouden kan zijn tot het betalen van zijn bijdrage in de desbetreffende kost. Dit akkoord moet zowel betrekking hebben op de kost zelf als op de omvang van deze kost.

Belangrijk hierbij is dat dit akkoord dient gevraagd te worden via een aangetekende zending, aangetekende e-mail of fax, en dit conform art. 203bis §3, 4de lid B.W. Een afwijking van deze wijze van overleg werd niet voorzien en het is maar de vraag hoe de uitwerking hiervan praktisch zal verlopen nu een aangetekende e-mail niet standaard door iedereen kan worden verzonden, er nog maar weinigen over een faxtoestel beschikken en een aangetekende zending tevens omslachtig is, telkens men een overeen te komen kost wil maken.

Echter in geval van noodzakelijkheid (zoals onder meer voor schoolboeken, schooluitstappen) of hoogdringendheid (bvb een spoedopname of spoedraadpleging bij een arts-specialist) is dergelijk voorafgaand overleg niet nodig.

Verder wordt bepaald dat deze kosten om de drie maanden dienen te worden afgerekend, waarbij de afrekening telkens dient vergezeld te zijn van de nodige bewijsstukken en dat de betaling dient te gebeuren door de ouder-schuldenaar, binnen de 15 dagen na de mededeling van de afrekening met de bewijsstukken.

Een overzicht van de tussenkomsten van het ziekenfonds, van de hospitalisatieverzekering of van een andere aanvullende verzekering, dient minstens jaarlijks in september te worden meegedeeld aan de andere ouder, samen met het bewijs van de school- en/of studietoelage, zodat het nodige kan worden verrekend.

Het KB is in werking getreden op 12 mei 2019.

Indien u nog verdere vragen zou hebben, aarzel dan niet ons te contacteren.

Permanentie bemiddelaars familierechtbank Antwerpen gaat van start vanaf januari 2020

Bij de aanvang van een procedure met minderjarige kinderen zullen partijen voorafgaand de behandeling van hun zaak op de familierechtbank een gesprek moeten hebben met een erkend bemiddelaar die vrijblijvend toelichting geeft over de verschillende trajecten van bemiddeling, kamer van minnelijke schikking, (collaboratieve) onderhandeling, gerechtelijke procedure en die samen met hen het meest gepaste traject verkent. Dit gesprek is gratis en partijen ontvangen hiervan een attest. Behoudens een aantal uitzonderingen of wanneer de rechtbank kan afleiden dat partijen weloverwogen hebben kunnen kiezen op welke wijze zij hun conflict wensen op te lossen, zal de zaak door de familierechtbank slechts behandeld worden mits voorlegging van dit attest.
Op die wijze zullen de partijen de oplossing van hun geschil zelf mee in de hand kunnen houden en zich niet onwetend kunnen vastbijten in een procedure.

De bemiddelingsparadox

Het voorstel van verplichte bemiddelingspoging kan positief onthaald worden maar dient met de nodige omzichtigheid uitgewerkt te worden. Een (v)echtscheiding is een emotionele periode waarin zowel ouders als kinderen betrokken partij zijn en meestal loyaal zullen willen zijn tegenover hun beide ouders.
Wanneer de ex-partnerrelatie nog niet bepleisterd is en de boosheid de bovenhand heeft is het niet aangewezen om deze gesprekken samen met de kinderen te voeren op het gevaar van suggestieve manipulatie door minstens één van de ouders.
Er dient dan ook gepleit te worden voor een multidisciplinair-bemiddelingstraject waarbij eerst in afzonderlijke gesprekken zal worden gepeild naar de behoeften van de kinderen en de ouders.
Verder zijn advocaten vandaag al als actoren van justitie wettelijk verplicht om hun sceptische cliënt over de diverse bestaande ADR-trajecten, waaronder bemiddeling, te informeren en zich niet op de eerste plaats te focussen op een vechtscheiding. De klassieke baatzuchtige advocaat in familiezaken wordt op die manier aan banden gelegd of zal zich moeten aanpassen.
De bemiddelingsparadox wordt stilaan doorbroken door ADR naast de gerechtelijke procedure te laten fungeren.

Deel VII De positie van de langstlevende echtgenoot in het huwelijksvermogensrecht én erfrecht

Bij samenloop van een langstlevende echtgenoot met erfgerechtigden van de vierde graad, verliezen deze laatsten hun erfrechtelijke roeping. De langstlevende echtgenoot zal dan de hele nalatenschap van de eerststervende in volle eigendom erven.

Bij nieuw samengestelde gezinnen wordt het mogelijk om de concrete reserve te ontnemen aan de langstlevende echtgenoot (uitbreiding Valckeniersbeding).

Overige aanpassingen (niet-limitatief)

De opheffing van het verbod op verkoop tussen echtgenoten

De mogelijkheid om bij de aankoop van een onroerend goed door twee ongehuwde partners (ieder voor een gelijk deel) dit onroerend goed anticipatief in te brengen in een eventuele toekomstige huwgemeenschap. Op deze wijze worden niet enkel kosten bespaard maar wordt vermeden dat de latere inbreng ervan wordt vergeten.

Inwerkingtreding

De nieuwe bepalingen inzake erfrecht zijn geldig op nalatenschappen die openvallen na inwerkingtreding van deze wet (=vanaf 1 september 2018).

Wat de nieuwe bepalingen met betrekking tot huwelijksvermogensrecht betreft, is de wet van toepassing op huwelijken die worden gesloten na inwerkingtreding van de wet én op echtgenoten die gehuwd waren op het ogenblik van de inwerkingtreding wet maar die nadien over zijn gegaan tot wijziging van hun huwelijksvermogensstelsel die een ontbinding ervan tot gevolg heeft. Wat echtgenoten betreft die reeds gehuwd waren op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet en die niet zijn overgegaan tot een wijziging die de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel tot gevolg had, geldt de rechterlijke billijkheidcorrectie niet igv een stelsel van scheiding van goederen).

Deel VI Nieuwe regels in geval van vereffening-verdeling met correctiemechanismen bij scheiding van goederen: het wettelijk verrekening beding

Verrekening van aanwinsten: bij de opmaak van het huwelijkscontract spreken de partners af hoeveel procent de andere kan krijgen in geval van ontbinding van het huwelijk. Op deze manier delen de echtgenoten toch in de beroepsinkomsten van de andere echtgenoot tijdens het huwelijk. Dit is nog steeds een scheiding van goederen (twee eigen vermogens, geen gemeenschap) maar bij ontbinding van het huwelijk zal de economisch sterkere echtgenoot een geldsom betalen aan de economisch zwakkere echtgenoot. Deze regeling zorgt voor een mooi evenwicht tussen autonomie en solidariteit tussen de gehuwden.

Rechterlijke billijkheidscorrectie: in geval van een oneerlijke situatie kan deze correctie als ‘vangnet’ dienen voor de echtgenoot die in het nadeel is. Bijvoorbeeld: een man heeft zijn carrière opzijgezet en is huisvader geworden om voor de kinderen te zorgen terwijl de vrouw als zelfstandige de alleenverdiener is. De huisvader heeft een chronische ziekte die kosten met zich meebrengt. Bij een scheiding valt de huisvader zonder inkomsten. Hij kan de rechter vragen om alsnog een deel van de inkomsten (maximaal 1/3) van zijn ex-partner te ontvangen. Dit deel wordt via huwelijkscontract vastgelegd.

De notaris wordt steeds verplicht om de betrokkenen te informeren over de mogelijkheden binnen de regeling van de scheiding van goederen zoals hierboven vermeld. Indien hij dit nalaat, is de notaris aansprakelijk. De informatieplicht zorgt er bovendien voor dat de mensen bewust zullen nadenken bij de opmaak  van hun huwelijkscontract. Belangrijk om eventuele problemen in de toekomst te vermijden.

Het hervormd huwelijksvermogensrecht voorziet uitdrukkelijk in een wettelijk kader voor het verrekenbeding, op basis waarvan tijdens het huwelijk opgebouwde aanwinsten bij ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel worden verrekend (verdeeld) tussen de echtgenoten. Zonder een dergelijk verrekenbeding zou de echtgenoot die zijn beroepsactiviteiten heeft geminderd om voor het huishouden en de kinderen te zorgen aanzienlijk minder krijgen dan de andere echtgenoot. Er wordt een rechterlijke billijkheidscontrole voorzien wanneer de echtgenoten hiervoor opteren in hun huwelijkscontract. De rechter kan dan een deel van de inkomsten van de meest verdienende echtgenoot (met een maximum van 1/3e) toekennen aan de andere echtgenoot wanneer onvoorziene omstandigheden tot een onbillijk financieel onevenwicht tussen beide echtgenoten hebben geleid.

Deel V Nieuwe regels in geval van vereffening-verdeling bij een gemeenschap

In verband met eigen goederen en wederbelegging

Indien goederen voor  meer dan de helft met eigen geld zijn betaald dan zullen ze als eigen worden beschouwd (artikel 1404 B.W.). Voor onroerende goederen is er dan een verklaring van wederbelegging vereist maar niet voor roerende goederen, noch een wil van wederbelegging. Voor het gedeelte dat met gemeenschappelijk geld werd betaald zal er een vergoeding verschuldigd zijn.

Verder zijn de toebehoren van eigen goederen of rechten eigen, zonder onderscheid tussen roerend of onroerend goed.

Tevens zijn eigen de niet afgekochte of niet uitgekeerde levensverzekering. Hiervoor zal wel vergoeding verschuldigd zijn voor de premies die met de gemeenschapsgelden werden betaald. 

Titre et finance

Aan de discussie of beroepsgoederen , aandelen en cliënteel eigen vermogen zijn of niet wordt een einde gemaakt. Er wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen eigendomsrecht (‘titre’) en vermogenswaarde (‘finance’). De ‘titre’ is altijd eigen, de economische waarde gerealiseerd tijdens het huwelijk wordt gemeenschappelijk.” De waarde dient verrekend te worden op het tijdstip van de ontbinding.

Deze nieuwe regels inzake titre et finance zijn van toepassing op roerende of onroerende professionele uitrustingen  op voorwaarde van exclusief gebruik voor beroepsdoeleinden van deze goederen, op cliënteel tijdens huwelijk opgebouwd, enkel economische waarde en professionele venootschapsaandelen op naam van één van de echtgenoot, die voor minstens 50 % met gemeenschappelijk geld werden betaald en op naam van 1 echtgenoot.

Piercing in het recht

Inzake de vergoedingsregels wordt bijkomend voorzien in de wet dat vergoeding verschuldigd zal zijn aan de gemeenschap in geval van onttrekking van beroepsinkomsten aan de gemeenschap door beroepsuitoefening in een vennootschap (Piercing the corporate veil).

Ook zal vergoeding verschuldigd zijn naar aanleiding van levensverzekeringspremies, ongevallenvergoeding en opzeggingsvergoeding.

Passief

Wat betreft het passief van de gemeenschap zijn schulden verbonden aan ingebracht goed gemeenschappelijk  tenzij hiervan in het huwelijkscontract zou worden afgeweken.

Er worden verder onzekerheden weggewerkt over het statuut (eigen of gemeenschappelijk) van individuele levensverzekeringen (groepsverzekeringen zijn daarentegen uitdrukkelijk uitgesloten van deze hervorming), schade- en ongevallenvergoedingen, aandelen, cliënteel en beroepsgoederen.

Hiervoor wordt een onderscheid gemaakt tussen het eigendomsrecht (dat in principe eigen is) en de vermogenswaarde (dat in principe gemeenschappelijk is indien deze opgebouwd werd tijdens het huwelijk).

Als de verzekerde prestatie niet opeisbaar wordt bij de ontbinding van het huwelijk, zijn de aanspraken eigen mits vergoeding aan de gemeenschap. Indien de verzekerde prestatie daarentegen opeisbaar wordt bij ontbinding van het huwelijk zijn de aanspraken eigen o voorwaarde van vergoeding wanneer de levensverzekering werd afgesloten in het eigen voordeel van de langstlevende echtgenoot of eigen zonder vergoeding wanneer de levensverzekering werd afgesloten door de overleden echtgenoot in het voordeel van de andere.

Het recht op schadevergoedingis eigen maar voor het statuut van de vergoeding moet een onderscheid worden gemaakt naar gelang de soort schade (morele=eigen, fysieke=gemeenschappelijk indien dekking inkomstenverlies, medische kosten, rehabilitatie en huishoudelijke hulp is gemeenschappelijk. Ook voor beroepsgoederen, aandelen en cliënteelgeldt voormeld onderscheid: het eigendomsrecht is eigen aan de beroepsactieve echtgenoot of de echtgenoot op wiens naam de aandelen werden ingeschreven, maar de vermogenswaarde die werd opgebouwd tijdens het huwelijk valt (onmiddellijk en niet pas vanaf de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel) in de huwgemeenschap. Bij ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel zal de beroepsactieve echtgenoot zijn beroepsgoederen bijgevolg mogen behouden maar hij zal wel een vergoeding verschuldigd zijn aan de gemeenschap die gelijk is aan de waarde van deze beroepsgoederen op het ogenblik van de ontbinding (niet langer aan de aankoopwaarde).

Deel IV Nieuwe regels in geval van de vereffening-verdeling bij scheiding van goederen

De wetgever voorziet uitdrukkelijk de beëindiging van de onverdeeldheid, ook tijdens het stelsel, behalve in geval van een bestemde onverdeeldheid (art. 1468 B.W. ), alsmede is een inkoop nu ook mogelijk zonder machtiging van de rechter (art. 1469 B.W.)

De wetgever voorziet ook uitdrukkelijk onder dit stelsel in een preferentiële toewijzing bij ontbinding stelsel (art.1389/2B.W.) wat voordien niet mogelijk was in een stelsel van scheiding van goederen.

Het gaat over de volgende goederen: de gezinswoning, de inboedel en de beroepsgoederen die onroerend of roerend zijn in geval van een gezamenlijke beroepsuitoefening, waarbij het criterium de belangen van de beide echtgenoten en hun financiële opportuniteiten zal zijn.

Bewijsregels – ongebreideld indien geen conventionele afspraken

Nieuw is dat thans alle bewijsmiddelen toegelaten worden om de schuldvordering tussen de echtgenoten te bewijzen, dus zelfs zonder een geschrift wanneer er niets conventieel geregeld is. Voor de schuldvorderingen tussen echtgenoten die tijdens dit stelsel ontstaan zal er wel zoals altijd al het geval is eerst moeten worden nagegaan wat er in het huwelijkscontract al dan niet geregeld of over afgesproken werd tussen de echtgenoten, welke vermoedens er spelen en werden afgesproken tussen de echtgenoten..

Deel III Actualisatie Huwelijksvermogensrecht

De nieuwe wet huwelijksvermogensrecht is van toepassing op vereffeningen-verdelingen vanaf 1 september 2018, voor zover de echtscheiding vanaf die datum is ingeleid.

Deze nieuwe wet omvat diverse nieuwigheden die worden besproken bij GF Family Law ingeval van echtscheiding en om u wegwijs te maken in uw vereffening-verdeling van uw huwgemeenschap. Er volgt een verfijning van de regels van het wettelijk stelsel, correcties op de regels voor scheiding van goederen, verruimd toepassingsgebied van onder meer huwelijksvoordelen, preferentiële toewijzing, de positie van de LLE.

Deze nieuwe wet zorgt voor meer zekerheid.

Formule Renard

De Formule Renard

Page 1 of 2

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén