Auteur: claude

Krijg ik automatisch een week-weekregeling als ik dit vraag?

Wanneer ouders uit elkaar gaan moet steeds een verblijfsregeling voor de minderjarige kinderen worden geregeld. In de praktijk gaan veel ouders ervan uit dat wanneer zij in conflict een week-weekregeling zouden vragen aan de rechtbank, zij dit sowieso zullen bekomen, vertrekkende van het idee dat dergelijke regeling steeds het beste is voor het kind. De standaardmotivering voor een ouder om dit te vragen is dan ook : “omdat ik evenveel rechten heb” (= als de andere ouder).

Is een week-om-week regeling een verworven recht voor elke ouder dat automatisch wordt toegekend en is dit steeds in het belang van het kind?

Sinds 2006 werd in het Burgerlijk Wetboek ingevoerd dat wanneer één van de ouders een gelijkmatige verdeelde verblijfsregeling vraagt, dit bij voorkeur dient te worden onderzocht. Dit betekent echter niet dat wanneer één ouders het vraagt aan de rechter dat het automatisch zal worden toegekend. De wet bepaalt immers dat de rechtbank dient te oordelen over deze vraag, rekening houdende met alle concrete omstandigheden van de zaak en het belang van zowel de kinderen als de ouders.

Diverse studies in het verleden hebben reeds aangetoond dat een gelijk verdeelde verblijfsregeling niet passend is voor jonge kinderen. Thans wordt zelfs meer en meer een gelijke verdeelde regeling ook voor oudere kinderen in vraag gesteld.

De rechtbank zal dan ook bij de beoordeling van deze vraag met heel wat factoren rekening dienen te houden zoals onder meer:

  • De leeftijd van het kind: voor kinderen onder de 3 jaar wordt dit doorgaans niet aangewezen geacht. Sommige rechtbanken en rechters menen bovendien dat een gelijkmatig verdeeld verblijf pas aangewezen is vanaf het kind de leeftijd van 6 jaar heeft bereikt ;
  • De afstand tussen de woonplaatsen van de ouders en de school: het is niet in het belang van het kind om elke ochtend en avond naar en van school langer dan 30 minuten onderweg te zijn ;
  • De mening van het kind zelf: kinderen vanaf 12 jaar worden door de rechtbank automatisch uitgenodigd om te worden gehoord. Het kind is echter niet verplicht hierop in te gaan. Als hij dit wel doet, dan wordt er doorgaans een verslag van dit gesprek gemaakt, tenzij het kind aangeeft dat hij dit niet wenst. De rechter zal rekening houden met de mening van het kind, maar dit betekent niet dat dit automatisch zal moeten worden gevolgd. De rechter zal alle omstandigheden van de zaak bekijken, om zo ook de mening van het kind te kaderen ;
  • Communicatie tussen de ouders: een week-weekregeling is enkel maar mogelijk indien de ouders elkaar niet voortdurend in de haren vliegen. Immers wanneer ouders alleen maar ruzie maken terwijl zij regelmatig met elkaar dienen te communiceren, doordat bijvoorbeeld de school door beide ouders evenveel opgevolgd wordt (of toch dient te worden), dan kan dit nefast zijn voor het kind. Dit betekent dan ook weer niet dat ouders een week-om-week regeling zullen kunnen vermijden door steeds ruzie te maken. Opnieuw zal de rechter dit beoordelen door alle omstandigheden van de zaak te bekijken.

Een zeer veel voorkomende fout is ook dat ouders vaak denken dat wanneer een week-weekregeling wordt toegepast, er geen onderhoudsbijdrage voor dat kind zal moeten worden betaald. Ook dit is geen automatisme omdat het bepalen van een onderhoudsbijdrage afhankelijk is van de inkomsten en mogelijkheden van beide ouders en de kinderen de week dat ze verblijven bij de minder kapitaalkrachtige ouder, dezelfde levensstandaard moeten kunnen hanteren dan de week dat ze bij de kapitaalkrachtige ouder verblijven.

Ook al is er aldus een wettelijke voorkeur voor een gelijk verdeelde verblijfsregeling, steeds dient elke zaak separaat te worden bekeken om na te gaan of deze regeling wel in het belang van en het kind en de ouders is in dat specifieke geval, kortom maatwerk!

Indien u hieromtrent vragen zou hebben of advies wenst, neem dan zeker contact op met ons kantoor.

Buitengewone kosten kinderen in de wetgeving

Reeds jaren bepaalde het Burgerlijk Wetboek dat ouders dienen bij te dragen in ook de buitengewone kosten voor hun kinderen, naast het vaste onderhoud in natura en hun bijdrage in de dagelijkse en gewone kosten.

Zeer veel worden er procedures voor de rechtbank uitgevochten, al dan niet na een loonbeslag of dergelijke, omtrent de vraag wat nu eigenlijk buitengewone kosten zijn, wat hiertoe behoort en wat de criteria van verschuldigdheid hiervan zijn.

De wetgever wou tegemoet komen aan deze discussies en heeft daarom bij Koninklijk Besluit van 22 april 2019 vastgesteld welke kosten tot de buitengewone kosten behoren, welke kosten het voorwerp moeten zijn van een voorafgaand overleg en akkoord en hoe deze kosten moeten worden afgerekend.

Het betreft het Koninklijk Besluit tot vaststelling van de buitengewone kosten die voortvloeien uit art. 203 § 1 van het Burgerlijk Wetboek en de wijze van tenuitvoerlegging ervan. Dit KB kan u raadplegen via volgende link: http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/change_lg.pl?language=nl&la=N&cn=2019042208&table_name=wet

Er zijn 3 grote pijlers van buitengewone kosten:

  1. Medische en paramedische kosten zoals orthodontie, aankoop bril, maar ook de premie van de hospitalisatieverzekering ;
  2. Schoolkosten zoals schooluitstappen, schoolboeken, laptop, maar wel pas na verrekening van de studiebeurs of studietoelage die zou worden ontvangen ;
  3. Kosten verbonden aan de ontwikkeling van de persoonlijkheid en de ontplooiing van het kind zoals lidgeld en benodigdheden hobby’s.

Daarnaast kunnen de ouders steeds nog bijkomende kosten als buitengewone kosten opnemen waarin zij aldus beiden dienen bij te dragen. De lijst zoals opgenomen in het KB kan aldus nog worden aangevuld door de ouders in gezamenlijk overleg.

Omtrent de voormelde kosten dient steeds voorafgaand overleg te worden gepleegd tussen de ouders en dient er ook een akkoord over te bestaan, bij gebreke waaraan de ouder, waarmee geen overleg werd gepleegd en zijn akkoord niet gegeven heeft, niet gehouden kan zijn tot het betalen van zijn bijdrage in de desbetreffende kost. Dit akkoord moet zowel betrekking hebben op de kost zelf als op de omvang van deze kost.

Belangrijk hierbij is dat dit akkoord dient gevraagd te worden via een aangetekende zending, aangetekende e-mail of fax, en dit conform art. 203bis §3, 4de lid B.W. Een afwijking van deze wijze van overleg werd niet voorzien en het is maar de vraag hoe de uitwerking hiervan praktisch zal verlopen nu een aangetekende e-mail niet standaard door iedereen kan worden verzonden, er nog maar weinigen over een faxtoestel beschikken en een aangetekende zending tevens omslachtig is, telkens men een overeen te komen kost wil maken.

Echter in geval van noodzakelijkheid (zoals onder meer voor schoolboeken, schooluitstappen) of hoogdringendheid (bvb een spoedopname of spoedraadpleging bij een arts-specialist) is dergelijk voorafgaand overleg niet nodig.

Verder wordt bepaald dat deze kosten om de drie maanden dienen te worden afgerekend, waarbij de afrekening telkens dient vergezeld te zijn van de nodige bewijsstukken en dat de betaling dient te gebeuren door de ouder-schuldenaar, binnen de 15 dagen na de mededeling van de afrekening met de bewijsstukken.

Een overzicht van de tussenkomsten van het ziekenfonds, van de hospitalisatieverzekering of van een andere aanvullende verzekering, dient minstens jaarlijks in september te worden meegedeeld aan de andere ouder, samen met het bewijs van de school- en/of studietoelage, zodat het nodige kan worden verrekend.

Het KB is in werking getreden op 12 mei 2019.

Indien u nog verdere vragen zou hebben, aarzel dan niet ons te contacteren.

Permanentie bemiddelaars familierechtbank Antwerpen gaat van start vanaf januari 2020

Bij de aanvang van een procedure met minderjarige kinderen zullen partijen voorafgaand de behandeling van hun zaak op de familierechtbank een gesprek moeten hebben met een erkend bemiddelaar die vrijblijvend toelichting geeft over de verschillende trajecten van bemiddeling, kamer van minnelijke schikking, (collaboratieve) onderhandeling, gerechtelijke procedure en die samen met hen het meest gepaste traject verkent. Dit gesprek is gratis en partijen ontvangen hiervan een attest. Behoudens een aantal uitzonderingen of wanneer de rechtbank kan afleiden dat partijen weloverwogen hebben kunnen kiezen op welke wijze zij hun conflict wensen op te lossen, zal de zaak door de familierechtbank slechts behandeld worden mits voorlegging van dit attest.
Op die wijze zullen de partijen de oplossing van hun geschil zelf mee in de hand kunnen houden en zich niet onwetend kunnen vastbijten in een procedure.

De bemiddelingsparadox

Het voorstel van verplichte bemiddelingspoging kan positief onthaald worden maar dient met de nodige omzichtigheid uitgewerkt te worden. Een (v)echtscheiding is een emotionele periode waarin zowel ouders als kinderen betrokken partij zijn en meestal loyaal zullen willen zijn tegenover hun beide ouders.
Wanneer de ex-partnerrelatie nog niet bepleisterd is en de boosheid de bovenhand heeft is het niet aangewezen om deze gesprekken samen met de kinderen te voeren op het gevaar van suggestieve manipulatie door minstens één van de ouders.
Er dient dan ook gepleit te worden voor een multidisciplinair-bemiddelingstraject waarbij eerst in afzonderlijke gesprekken zal worden gepeild naar de behoeften van de kinderen en de ouders.
Verder zijn advocaten vandaag al als actoren van justitie wettelijk verplicht om hun sceptische cliënt over de diverse bestaande ADR-trajecten, waaronder bemiddeling, te informeren en zich niet op de eerste plaats te focussen op een vechtscheiding. De klassieke baatzuchtige advocaat in familiezaken wordt op die manier aan banden gelegd of zal zich moeten aanpassen.
De bemiddelingsparadox wordt stilaan doorbroken door ADR naast de gerechtelijke procedure te laten fungeren.

Lot van verbeteringswerken in onroerend goed van patrimoniumvennootschap

Er bestaat te weinig bescherming in het huwelijksvermogensrecht na een scheiding tijdens de vereffening en verdeling in geval van renovaties, gefinancierd door de voormalige echtgeno(o)t(en) aan de gezinswoning aangekocht op naam van de patrimoniumvennootschap van de schoonfamilie.

Stel, U vindt de partner van uw leven en trouwt. Samen droomt u van een mooie toekomst in een parel van een huis. Met dank aanvaardt u de financiële bijdrage van uw schoonfamilie, die het te renoveren droomhuis met plezier aankoopt op naam van haar familievennootschap, waarvan ook uw partner bestuurder is. U zal (al dan niet samen met uw partner) zelf zorgen voor de verdere afwerking van de woning, en de kosten hiervan dragen. Met enthousiasme gaat u aan de slag in de woning en financiert u (al dan niet samen met uw partner) de werken die nog moeten worden uitgevoerd. Het eindresultaat is een droom van een woning.

Tot zover lijkt er zich geen enkel probleem te stellen.

Naderhand loopt het huwelijk spaak. De boedel moet worden verdeeld, maar wat gebeurt er met de opgewaardeerde gezinswoning bij de vereffening-verdeling? De gezinswoning, waaraan u zelf heeft gewerkt en prestaties heeft laten verrichten die u (mee) heeft betaald, verdwijnt volledig opgewaardeerd in de patrimoniumvennootschap van de voormalige schoonfamilie.

Het huwelijksvermogensrecht biedt in zulk geval geen enkele bescherming, zodat noodgedwongen enkel kan teruggevallen worden op de gemene rechtsgronden zoals zaakwaarneming, kostenleer, e.d. om een deel van deze kosten te recupereren, hetgeen niet vanzelfsprekend is.

In dergelijk geval is dus geen sprake van een eerlijke verdeling van de boedel, nu de ex-partner recht heeft op de helft van de boedel, maar tegelijkertijd een opgewaarde woning krijgt via de familievennootschap waarvan zij deel uitmaakt.

Deze situatie komt in de rechtspraktijk steeds vaker voor. Het is daarom aangewezen deze situaties voorafgaand te contractueel ondervangen.

 

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén