Reeds jaren bepaalde het Burgerlijk Wetboek dat ouders dienen bij te dragen in ook de buitengewone kosten voor hun kinderen, naast het vaste onderhoud in natura en hun bijdrage in de dagelijkse en gewone kosten.

Zeer veel worden er procedures voor de rechtbank uitgevochten, al dan niet na een loonbeslag of dergelijke, omtrent de vraag wat nu eigenlijk buitengewone kosten zijn, wat hiertoe behoort en wat de criteria van verschuldigdheid hiervan zijn.

De wetgever wou tegemoet komen aan deze discussies en heeft daarom bij Koninklijk Besluit van 22 april 2019 vastgesteld welke kosten tot de buitengewone kosten behoren, welke kosten het voorwerp moeten zijn van een voorafgaand overleg en akkoord en hoe deze kosten moeten worden afgerekend.

Het betreft het Koninklijk Besluit tot vaststelling van de buitengewone kosten die voortvloeien uit art. 203 § 1 van het Burgerlijk Wetboek en de wijze van tenuitvoerlegging ervan. Dit KB kan u raadplegen via volgende link: http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/change_lg.pl?language=nl&la=N&cn=2019042208&table_name=wet

Er zijn 3 grote pijlers van buitengewone kosten:

  1. Medische en paramedische kosten zoals orthodontie, aankoop bril, maar ook de premie van de hospitalisatieverzekering ;
  2. Schoolkosten zoals schooluitstappen, schoolboeken, laptop, maar wel pas na verrekening van de studiebeurs of studietoelage die zou worden ontvangen ;
  3. Kosten verbonden aan de ontwikkeling van de persoonlijkheid en de ontplooiing van het kind zoals lidgeld en benodigdheden hobby’s.

Daarnaast kunnen de ouders steeds nog bijkomende kosten als buitengewone kosten opnemen waarin zij aldus beiden dienen bij te dragen. De lijst zoals opgenomen in het KB kan aldus nog worden aangevuld door de ouders in gezamenlijk overleg.

Omtrent de voormelde kosten dient steeds voorafgaand overleg te worden gepleegd tussen de ouders en dient er ook een akkoord over te bestaan, bij gebreke waaraan de ouder, waarmee geen overleg werd gepleegd en zijn akkoord niet gegeven heeft, niet gehouden kan zijn tot het betalen van zijn bijdrage in de desbetreffende kost. Dit akkoord moet zowel betrekking hebben op de kost zelf als op de omvang van deze kost.

Belangrijk hierbij is dat dit akkoord dient gevraagd te worden via een aangetekende zending, aangetekende e-mail of fax, en dit conform art. 203bis §3, 4de lid B.W. Een afwijking van deze wijze van overleg werd niet voorzien en het is maar de vraag hoe de uitwerking hiervan praktisch zal verlopen nu een aangetekende e-mail niet standaard door iedereen kan worden verzonden, er nog maar weinigen over een faxtoestel beschikken en een aangetekende zending tevens omslachtig is, telkens men een overeen te komen kost wil maken.

Echter in geval van noodzakelijkheid (zoals onder meer voor schoolboeken, schooluitstappen) of hoogdringendheid (bvb een spoedopname of spoedraadpleging bij een arts-specialist) is dergelijk voorafgaand overleg niet nodig.

Verder wordt bepaald dat deze kosten om de drie maanden dienen te worden afgerekend, waarbij de afrekening telkens dient vergezeld te zijn van de nodige bewijsstukken en dat de betaling dient te gebeuren door de ouder-schuldenaar, binnen de 15 dagen na de mededeling van de afrekening met de bewijsstukken.

Een overzicht van de tussenkomsten van het ziekenfonds, van de hospitalisatieverzekering of van een andere aanvullende verzekering, dient minstens jaarlijks in september te worden meegedeeld aan de andere ouder, samen met het bewijs van de school- en/of studietoelage, zodat het nodige kan worden verrekend.

Het KB is in werking getreden op 12 mei 2019.

Indien u nog verdere vragen zou hebben, aarzel dan niet ons te contacteren.